We worden wakker met een waterig zonnetje dat door de ramen van het dekhuis naar binnen schijnt. Het licht sprankelt door de condens aan de binnenkant van de ramen en nadat ik het knopje van de kachel heb ingedrukt, draaien we ons nog een keer om en kruipen tegen elkaar aan terwijl de Chinese replica van de Erberspächer warme lucht door de boot begint te blazen. We liggen op rustig water achter de ankerboei, beschut door het bos op het eiland, en omdat het vandaag te hard waait om uit te varen, slapen we lekker uit.
Jen bakt zoals bijna elke ochtend eieren voor mij en maakt een bakje yoghurt met muesli voor zichzelf. Ik dank haar plechtig voor het liefdevolle maal en val aan. Een paar minuten later begint de perculator te pruttelen en schenken we onszelf een kopje koffie in. Ik leng hem altijd aan met een klein beetje water, onder het snobbistische argument dat een paar druppels water in een goed glas whisky ook de smaak losmaakt. Of dat bij koffie ook zo is weet ik niet, maar hierdoor verbrand ik in ieder geval mijn mond niet. Jen pakt haar e-reader erbij en ik begin mijn achterstand in schrijversland op de laptop weg te werken.
Een uur of twee later is Jen uitgelezen en kan ik wel even pauze gebruiken. Het verhaal over Martinique ligt al even in de geschiedenis, maar aan de hand van foto’s, logboeknotaties, WhatsAppjes en mijn herinneringen wordt het al snel weer een mooi geheel. Storm ligt al in het water en we pruttelen naar het strandje. Het water is helder en het zand wit, net als in het Caraïbisch gebied, maar als ik met opgestroopte broekspijpen het water in stap om de boot op het strand te trekken, schiet het koude water als naalden in mijn huid. Koud! Prinses Jen wacht enigszins ongeduldig tot ze ook aan land mag en springt met een sierlijke boog vanaf Storm’s boeg op het strand. We trekken Storm nog wat verder omhoog, binden de lijn aan een tak vast en gaan dan op pad rond het eiland.
Het bos dat hier staat, en overigens overal aan de kust van Nova Scotia lijkt te groeien, bestaat uit lage, dunne dennenboompjes die een kort leven hebben. Ze staan zo dicht op elkaar gepakt dat je er nauwelijks een paar meter doorheen kunt kijken, laat staan er doorheen lopen. Dus wandelen wij over de vloedlijn over strand en keien. Wat ook opvalt is dat zo’n beetje de helft van de bomen dood lijkt te zijn, maar nog wel rechtop staat, ondersteund door de volgende boom die er naast omhoog is geschoten.


We kletsen over koetjes, kalfjes en de planning van de komende weken en maanden. We klimmen over de stenen, rapen het aangespoelde plastic van de grond en kijken uit naar tekenen van beren, eekhoorns of andere wilde dieren. Het is echter stil op het kleine eilandje, op het gekwetter van vogels en het kabbelen van de golfjes op het strand na. De stempel die we als mens op verlaten eilandjes drukken is wederom niet te negeren. We pakken op wat we kunnen dragen, maar moeten helaas ook veel rommel laten liggen. Er zit een groot verschil tussen landen die actief plastic inzamelen en landen als Suriname, waar vuilnis sowieso een probleem is, maar plastic komen we hoe dan ook overal tegen. Stukken touw, Coca-Cola flessen, visboeien, verpakkingen etc.. En dan hebben we het nog over de grote stukken plastic en laten we de micro-plastics nog buiten beschouwing. Het is een schrijnend beeld te midden van al dat natuurschoon en wakkert bij ons het gesprek aan over voornemens in onze consumptie die we willen aannemen, of juist laten varen na onze terugkomst.
Dat we zuiniger zijn geworden met de spullen, het voedsel en de materialen die we hebben is evident. Op de boot gaat dat vanzelf door de beperkte ruimte die we hebben. Een kraan open laten staan terwijl je iets doet kan niet. Groenten uit de koeling in de supermarkt kopen is geen optie, want die vergaan binnen een paar dagen en de groenten die we wel hebben behandelen we met zorg om ze lang goed te houden. Het zijn de lokale, seizoensgebonden producten die het lang volhouden. Naast de eeuwig levende spitskool, witte kool en pompoen. Wie weet krijg ik Jen nog eens zover om daar een interessant stukje over te schrijven.
Onze kijk op spullen is ook aan het veranderen. Ik heb Jen eindelijk zover om geen pannen met coatings meer te gebruiken en hoewel de leercurve wat steil was, wil ze inmiddels niet meer terug. Dingen die kapot gaan worden het liefst gerepareerd, of vervangen met iets dat wél te repareren is. Het zijn een hoop kleine gewoonten, maar samen tellen ze op. Op zee is dat het sterkst te merken in onze vuilnis. We produceren ongeveer één bakje aan composteerbaar afval per dag dat overboord gaat, en kunnen verder bijna twee weken varen voordat de eerste kleine vuilniszak vol zit.
We komen terug bij Storm en gooien onze vondsten aan boord, voor in een vuilnisbak. Langs de oever hebben we een paar oude kampvuurplaatsen gespot en het is dan ook al snel besloten om vanavond op het strand te eten. We gaan terug naar Luwte en laden Storm vol met al onze luxe kampeerspullen. Met twee stoelen, onze speaker, pannen, eten, wijn, glazen, servies, aanmaakblokjes, lashandschoenen en nog een eindeloze reeks andere spullen keren we terug. Het is wat overdreven om het allemaal naar de kant te slepen, maar we hebben de tijd en ik bekijk de wilde natuur (en vooral Luwte daarin) het liefst vanuit enig comfort.
Er ligt gelukkig meer dan genoeg droog hout aangespoeld op het strand. Ik sleep steeds grotere boomstammen naar onze vuurplaats. Jen heeft vroeger geleerd dat je altijd stenen om een vuur heen moet leggen en is druk in de weer met het verslepen van keien. Als ze opkijkt van haar gesjouw sommeert ze mij te stoppen met sprokkelen en het vuur te ontsteken. Mijn zelfgemaakte aanmaakblokje van in lampenolie gedrenkt keukenpapier zet binnen een paar seconden de kleine takken in de hens en een paar minuten later, als het vuur levendig ronddanst eis ik mijn complimentje van Jen op. Ik trek de lashandschoenen aan en zet de gietijzeren pan die we in Lunenburg van de oude zeerover hebben gekocht op het vuur.
Het wordt een waar feestmaal, met venkel-honing-worst die proeft alsof het varken een goed leven heeft gehad en knisperende groenten. De zon staat inmiddels laag en het drie uur durende golden hour dient zich aan. Luwte verandert mee met de kleur van de lucht en kleurt enkele tientallen meters bij ons vandaan bijna oranje rood in het water. Tot lang nadat de zon onder is gegaan kijken we naar het smeulende vuur dat langzaam uitdooft, voordat de kou over ons heen trekt en we naar ons warme bed in Luwte kruipen.




De volgende ochtend is het fris, maar zonnig. We worden vroeg wakker, drinken een kop koffie en ik laat de drone een rondje vliegen. Alleen op de wereld, zo voelen we ons. Jen bakt weer eieren met Amerikaans spek voor me. Ik heb geprobeerd de meest neutrale bacon te vinden uit een eindeloze rij merken en smaken, maar ook dit spek is geïnjecteerd met suikerwater en bevat een hoeveelheid calorieën waar je bang van wordt. Onder het mom van de kou, onze aankomende oceaanoversteek en de aandacht die Jen er in stopt, geniet ik er niet minder van.
Kort daarna gooien we de lijnen los van de moorringboei. Wat een luxe dat ik hier niet met mijn blote handen de ijskoude en blubberige ankerketting omhoog hoef te trekken! We varen het hoekje om, draaien de neus in de wind en hijsen het grootzeil. Terug richting de uitgang van deze enorme baai, verder noordoostwaarts.
We hebben besloten de grote stad Halifax naast ons te laten liggen en een lange klap de noordoost te maken. Er staat een lekker windje en al snel gaat het eerste rif er in om Luwte rustig in haar roer te laten lopen. Voor ons vaart een ander Canadees zeilschip dat, net als wij, slingerend door het mijnenveld van lobsterpots beweegt. Vlak voor Halifax ligt een interessant stukje water, vol met kleine eilandjes, rotsen vlak onder het wateroppervlak en slingerende geulen er tussendoor. Vanaf de kaart ziet het er magistraal uit en ik wil dan ook binnendoor waar het kan. Of dat achteraf de juiste beslissing was is te betwisten, want echt genieten en ontspannen kunnen we allebei niet. Gelukkig is het helder en kunnen we ver vooruit kijken. We varen vlak langs brekende golven op riffen, of moeten langer dan we ons prettig bij voelen recht op een rots af varen. Als het Canadese zeilschip voor ons een alternatieve route neemt en de vaargeul verlaat, slaat de onzekerheid bij mij een beetje toe. Er lijken twee boeien te missen op het smalste stuk van de vaargeul. Die zal toch niet omgelegd zijn?
Gelukkig blijkt het overal dieper dan op de kaart. Als we tussen de laatste eilanden uitschieten neemt Jen het roer over en ga ik naar binnen voor een kop thee en een koekje. Nog voordat het water kookt worden we opgeroepen door Halifax Traffic Control met de vraag wat onze intenties zijn, want er komen twee tankers aanvaren dwars op onze koers. Op de AIS zien we ze dan inderdaad aankomen met een knoop of twintig, nog ver buiten ons zicht. Een kwartier later zijn we het scheidingsstelsel over en komt het drijvende flatgebouw vlak achter ons langs glijden.
De rest van de dag is gelukkig ontspannen. We hijsen de gennaker, varen een stukje met de motor bij en kunnen de laatste uren mooi doorzeilen. We mikken op Jeddore, een klein plaatsje bij een prachtig binnenwater waar je via een rivier landinwaarts kunt komen. We kunnen de ingang van de rivier bijna zien als het begint te schemeren en een dik pak mist vanuit het niets over ons heen schuift. De wind trekt aan en de zee wordt snel opgestuwd. Als bonus ligt het plotseling weer vol met lobsterpots die we nu niet meer in de verte kunnen zien én breekt de harp van onze giekneerhouder met een knal in tweeën. All hands on deck.
Ik schiet naar voren om het grootzeil, dat nu de giek ver omhoog trekt en raar bol staat, naar beneden te halen. Terwijl ik aan het voorlijk hang om het zeil naar beneden te trekken, flitst er in mijn ooghoek een visboei op nog geen drie meter langs onze boot. Het zou een verdraaid slecht moment zijn om nu een vislijn in de schroef te krijgen en ik breng enigszins kortaf aan Jen over dat ze beter moet opletten. Jen krijgt instructies van mij, stuurt de boot over de golven, houdt de ondieptes in de gaten, helpt met het naar beneden krijgen van het grootzeil en mist daardoor ook een tweede visboei, waarna mijn zenuwen de overhand nemen en ik vanaf het voordek even uit mijn slof schiet. Ik voel me (wellicht onterecht) in de steek gelaten door haar onoplettendheid en wederzijds kan Jen het (wellicht terecht) niet uitstaan dat ik sta te vloeken. Het overkomt ons gelukkig niet vaak, maar die avond zeggen we allebei een keer sorry.
Terwijl dat allemaal gaande is parkeren we onze frustraties en gaat Jen binnen op radarwacht, terwijl ik door de mist probeer te turen op zoek naar de ton die de ingang van de rivier zou moeten duiden. Achteraf blijkt dat we die op nog geen dertig meter hebben gepasseerd, maar de mist heeft hem op dat moment opgeslokt.
We motoren nog een uur de rivier op richting een goede ankerplaats. Volgens de pilot en de kaarten is het verstandig hier niet buiten de geul te varen en zouden de vogels naast de boeien in de blubber staan te wandelen. We testen het vandaag maar even niet. We vertrouwen onze GPS en de kaartplotter en varen ‘blind’ verder naar binnen. Het is pikkedonker en nog altijd mistig als we op het binnenmeer aankomen, ons anker op goed geluk laten ingraven en na een kop thee en een kleine recap in bed kruipen.

Jeddore stond niet op de planning, maar we zijn in Lunenburg vergeten motorolie en benzine te kopen, en pas onderweg komen we er achter dat Canada een stuk uitgestrekter is dan de streken waar we vandaan komen. De definitie van een “dorp” in Canada zou in Nederland al gauw een gemeente zijn, of misschien zelfs een provincie. Op de kaart is dit de komende twee weken de laatste plek waar een tankstation binnen een half uur wandelen te vinden zal zijn. Gelukkig is de mist de volgende ochtend opgetrokken en zien we dat we in een prachtig binnenwater zijn beland. Er zijn geen andere boten, maar wel hier en daar grote huizen langs de kant met steigertjes. We kunnen nog verder naar binnen om dichterbij het tankstation te ankeren en besluiten liever te varen dan te lopen. Via een geul die iets breder is dan een brede sloot en die tussen ondiepe zandbanken door slingert, passeren we een eiland en dan een tweede binnenmeer. En daar ligt zowaar een zeiljacht!
We laten ons anker in de buurt van het jacht zakken en gaan even kijken, maar er is niemand aan boord. Waarschijnlijk van één van de bewoners hier. Ik begin meteen te dromen van een leven in de buitenlucht, met de boot voor de deur, in een van de prachtigste vaargebieden die ik ooit heb gezien. Maar nu eerst over tot de orde van de dag: Benzine en olie. We knopen Storm aan een steiger van iemands huis, wandelen vlug door de tuin en starten onze wandeling. Erg enerverend is die niet. De weg is lang en breed en de auto’s razen voorbij terwijl wij in de berm de schaduw opzoeken. Het tankstation is gelukkig open en even verderop zit een winkelcentrum waar we nog een muts, handschoenen en motorolie vinden. Volgeladen beginnen we aan onze kruistocht terug, die op de een of andere manier sneller lijkt te gaan dan de heenweg. We praten over wonen in Canada, de regels rondom fikkies stoken (een verkeerd fikkie kost je hier $20.000!) en onze volgende bestemmingen.
Terug bij de boot zien we dat er leven aan boord van ons buurschip is. We kloppen aan en John komt naar buiten. Hij is een jaar of zeventig en heeft een prachtig klassiek jacht met keurig gelakte houten kuipbanken, handrails en andere sierlijkheden. Hij is verheugd om ons te zien en vraagt zich af hoe we deze uithoek in godsnaam gevonden hebben, want er komen hier niet veel zeilers, laat staan buitenlandse. We praten een tijdje over onze avonturen en zijn zeiltochten langs Canadese wateren. Trots vertelt hij ons dat hij een officieel contactpersoon van de Cruisers Association voor deze regio is, en hoewel we geen lid zijn wil hij ons met alles helpen wat we maar nodig hebben. We danken hem voor het aanbod en vertellen dat we zojuist onze laatste benodigdheden wel gevonden hebben, op een pilotboek van dit gebied na.
Een half uur later klopt hij bij ons aan en overhandigt ons zijn editie van de almanak van Nova Scotia, waarvan hij zelf een van de auteurs is. Hij excuseert zich voor het feit dat zijn vrouw ziek is en hij ons daarom niet thuis kan uitnodigen om te blijven eten. We hebben helaas weinig om terug te geven, op een soft-shackle en veel dankbetuigingen na, dus besluiten we op een dag terug te komen om het boek weer terug te brengen en dan een vorkje mee te prikken.

De volgende ochtend hangt er een dunne nevel over het water. Het eiland op het meer komt er bovenuit en de zon werkt zich net een weg door de lichte bewolking heen als we uitvaren. We hebben onze jerrycan benzine vol zitten, bladeren in onze nieuwe almanak op zoek naar de mooiste ankerplekjes en verheugen ons op wat komen gaat. Er staat weinig wind de komende dagen, maar we hadden ons gelukkig ingesteld op veel motoren om langs Nova Scotia te komen.
Vijf minuten later wordt ons goede humeur verstoord door een raar gevoel in de boot. Ik haal direct het gas er af en dan zien we dat we vastzitten in een lobsterpot. Gelukkig is het windstil en liggen we midden op het meer, met genoeg tijd en ruimte om rustig na te denken, maar even balen is het wel. Het water is hier een graad of zeven, een stukje warmer dan de zee, maar toch nog behoorlijk koud. Maar kou is niet onze grootste vijand hier. Enorme (echt enorme) kwallen heersen in deze wateren en drijven overal om ons heen. Vuurrood en met meterslange tentakels. Ik weet niet eens of ze veel kwaad doen, maar heb ook zeker niet de ambitie om dat te ontdekken…
Terwijl Jen in de kuip blijft staan op kwallenwacht, pak ik de duikbril en de pikhaak erbij en laat me voorover zakken op ons zwemplateau. Een paar meter verderop drijft een kwal, maar het water is redelijk helder en naar voren toe lijkt de kust veilig. Ik heb direct een brain-freeze. Ik richt mijn blik op de boosdoener en zie dat de drijver van de kist wonder boven wonder achter onze schroef is blijven steken, maar de lijn niet om de as gedraaid zit. Het is even stoeien, en ik moet een paar keer snel mijn hoofd uit het water trekken op het teken “Kwal Kwal!” van Jen, maar dan kom ik juichend boven water. De boei drijft snel achter ons en na nog een tweede inspectie kondig ik missie geslaagd aan. Ik krijg een kus om op te warmen en voel me net een Schipper van de Kameleon die het slootje is overgesprongen.
Zo met een zonnetje en de afwezigheid van mist is de Salmon River een plaatje. Hier en daar staat een visser letterlijk enkele meters naast de vaargeul tot zijn knieën in het water met een hengel in zijn handen. We worden vrolijk begroet en aangestaard terwijl we onze weg naar zee weer vinden en de boei tegenkomen waar we gisteren zo vlak langs zijn gevaren. De zee is rustig, om ons heen schieten de kreeftenvissers heen en weer, op zoek naar het levende goud dat ze in een paar weken tijd uit de zee moeten trekken, voordat het seizoen weer over is.


Onder begeleiding van zeehondjes draaien we een paar uur later tussen de ondieptes naar binnen toe. Shelter Cove had ik onderweg naar Canada al gespot als een mooi plekje op de kaart en is ons door meerdere zeilers aangeraden. Daarnaast trekt de naam ons wel, en dus slingeren we naar binnen. Shelter Cove is precies wat ik me er bij had voorgesteld. Een kleine, ronde, beschutte kom met een strandje en lage gladde rotsen met daar bovenop wat bomen. Er ligt een ander zeilschip waar we even mee aan de praat raken. Hij vertelt ons dat hij hier graag komt en hier eens een orkaan heeft uitgezeten zonder noemenswaardige angsten. Shelter Cove doet haar naam dus eer aan.
We gaan aan wal en wandelen over een hagelwit strand met lichtblauw water. Het ziet er simpelweg té lekker uit om geen plons te maken. Snel trekken we onze kleren uit en rennen in ons Adamskostuum het water in. Jen is er al weer uit voordat ik goed en wel boven ben gekomen. Het is zo koud dat het lijkt alsof er overal naalden in je huid worden gestoken! Ik doe heel stoer nog wat wim-hof achtige ademhalingen, maar moet al snel toegeven. Gelukkig staat de zon hoog en is het windstil. We hebben geen handdoeken mee, maar drogen ons aan de zon, onze dopaminekick en een t-shirt. Terug aan boord zitten we tot laat in de kuip. We spotten zeehondjes die doen alsof ze dolfijnen zijn en in formatie met keurige boogjes uit het water springen. Het is zo’n verademing om weer lange avonden te hebben.

Tijdens het ontbijt de volgende ochtend ontstaat een korte discussie. Ik ben met volle teugen aan het genieten van deze kust, de kleine baaitjes, het navigeren tussen de ondieptes door en alles wat we daarbij tegenkomen. Jen heeft haar blik iets meer naar voren gericht en vreest dat we te weinig tijd in Newfoundland gaan hebben, om daar nog iets van te zien. We passen de plannen wat aan en besluiten een paar van mijn waypoints langs de kust van Nova Scotia op te offeren. Ik ga mokkend akkoord onder de voorwaarde dat we hier dan nog een keer terugkomen. Erg veel vertrouwen in dat soort voorwaarden heb ik nooit, als gevolg een klein jeugdtrauma van een vakantie naar Denemarken. Beteuterde Rorik was destijds twee jaar te jong om in de ‘verkeersattractie’ te mogen. Een soort kartbaan met verkeersborden, waar kindjes in langzaam rijdende autootjes mochten proeven aan het volwassen leven. Mijn jammerende achtjarige ik is toen beloofd dat we terug zouden komen als ik oud genoeg was. Enfin, Jen gaat voor de herkansing.
Daarmee wordt onze volgende stop de Liscomb River Lodge. Op aanraden van de zeilers die we in Lunenburg tegenkwamen moeten we daar namelijk de zalm gaan proeven. Het is een mooi tochtje, maar als we de rivier op varen komen we in windacceleratiezones terecht die ons vlagerig met het gangboord in het water duwen. Maar het water is vlak en de rivier is hier breed. We kruisen nog een stuk op totdat de ondieptes beginnen en tuffen dan nog een uurtje de slingerende rivier op, vlak langs rotswanden en dwars door het bos. Als we de laatste bocht om draaien ontvouwt de lodge voor ons, met een steiger voor de deur.
De Liscomb River Lodge is een schoolvoorbeeld vergane glorie. Alles straalt uit dat dit in de jaren 80 en 90 dé place to be was. We hebben ons een beetje ingelezen en weten dat het op de afgrond hangende hotel een aantal jaar geleden door een Canadese hotelliefhebber is opgekocht, met de ambitie om er weer een sprankelend geheel van te maken. De potentie is er, maar waarschijnlijk was onderdeel van de deal dat het volledige team moest worden meegenomen en die, hoe lief ze ook allemaal waren, hebben ook hun piek gehad in de jaren 80 en 90.
Voor Jen en mij zijn dit soort plekken guilty pleasures. We direct de rol aan van Hollywood-sterren uit de jaren 80 die met hun privéjacht een hapje komen lunchen. We trekken onze nette kleren aan en lopen naar de receptie om ons te melden, waar we worden aangestaard alsof we inderdaad net uit een filmset zijn komen lopen. Ik vermoed dat ze niet veel jonge gasten meer krijgen tegenwoordig. Het is slechts tien minuten na onze aankomst, maar iedereen is al lang en breed op de hoogte van onze aanwezigheid. We zijn het eerste jacht van het seizoen en worden warm welkom geheten. Als we een hapje willen eten zijn we welkom in het (lege) restaurant, waar een oude dame klaarstaat om iemand te bedienen. We krijgen toegangspassen voor de spa en uitleg over het terrein en de wandelingen. Jen snuffelt rond in het hoekje met Liscomb River goodies en koopt een nieuwe muts. Buiten raken we aan de praat met de beheerder van het terrein. Hij vertelt ons met trots dat hij al bijna veertig jaar voor de lodge werkt en hoe het de laatste jaren wat minder gaat, maar dat ze er met z’n allen vol goede moed voor blijven gaan om dit het mooiste resort van Canada te houden.
We spieken even bij de spa en zien inderdaad een groot zwembad, bubbelbaden, een dansruimte en een grote sauna. Morgen gaan we wandelen en daarna gaan deze filmsterren lekker relaxen.
We belanden in het restaurant en krijgen een tafeltje aan het raam, met uitzicht over de rivier. Er zit nog één andere familie met kindjes aan een tafel, maar verder is het restaurant, waar misschien wel honderd couverts in staan, leeg. Langs de muren hangen sieraden te koop die eruitzien alsof ze op een kinderpartijtje in elkaar zijn gezet en bij het raam hangen vergeelde kaarten met plaatjes van de vogels die je hier kunt zien. We zijn niet echt vogelaars, maar door de voederpotten die een paar meter voor het raam zijn neergezet, tellen we toch al snel bijna tien soorten. We openen ons partneroverleg en laten ons de wijn, cocktails en het eten goed smaken. De zalm is inderdaad de moeite waard om voor om te varen, als je net als wij vergane-glorie-liefhebber bent. Met ronde buiken en rollende tong wandelen we terug naar de boot en kruipen we onder de wol.


De wandeling door het bos is langer dan we hadden verwacht, zoals altijd. Het pad loopt stroomopwaarts langs de ene kant van de rivier en stroomafwaarts aan de andere kant. Van tevoren kregen we het verzoek om ons aan- en af te melden bij de receptie, zodat ze weten dat we veilig terug zijn gekomen. Wij hebben de nodige Moordcast en Bizar podcasts geluisterd om te weten dat de bossen in Canada geen grapje zijn. In één van de verhalen gaat een ervaren wandelaarster een paar meter het pad af om te plassen, maar ze weet het pad niet meer terug te vinden. Maanden later wordt haar lichaam bij toeval gevonden op een open plek, in haar tent. Uitgedroogd en verhongerd, op een paar honderd meter afstand van de bewoonde wereld. Het bordje aan het begin van de wandeling met “pas op voor beren” voegt toe aan de spanning en we nemen ons voor om maar op het pad te blijven.
Tijdens het lopen wordt de waarheid van het plasverhaal bevestigd. Je kunt hier inderdaad een meter of drie het bos in lopen en dan volledig verdwijnen in de struiken en dicht op elkaar staande bomen. Het pad is pas een paar jaar geleden aangelegd en daardoor in redelijke staat van begroeiing. Het is een laatste stuiptrekking van de weelde van de Liscomb River Lodge waarmee ze ruim tien kilometer aan bos begaanbaar hebben gemaakt en een imposante hangbrug over een waterval hebben gebouwd. Deze wandeling zou de trekpleister van de lodge worden, maar toen ze de route vol trots de wereld in wilden slingeren, werd de brug afgekeurd door een (volgens de mannen die de brug bouwden) chagrijnige ambtenaar die niet van slingerbruggen hield. Sindsdien mogen ze er niet meer mee te koop lopen, staat er een grote versperring voor de brug en is de mooie rondwandeling officieel dus opgeknipt in een heen-en-weer langs de ene kant van de rivier, of langs de andere kant. Tot overmaat van ramp mogen ze de brug ook niet meer onderhouden omdat hij is afgekeurd, en zal hij over een aantal jaar dus dezelfde neergang als de lodge meemaken. Wij wagen het er op en klimmen onder het hek door, met prachtig uitzicht op de waterval. Jen kan meer van de wiebelige oversteek genieten dan ik, en blijft in het midden even staan om wat foto’s te schieten. Ik ben al lang blij als we het allebei hebben overleefd.




Bezweet, uitgedroogd, maar voldaan wandelen we even later de spa in die we helemaal voor onszelf hebben. We moeten de boel wel zelf opstarten en afsluiten en ik druk binnen enkele minuten op alle knopjes die ik tegenkom. Zonder geëlektrocuteerd te worden vinden we de knoppen voor het bubbelbad en de sauna. Op de balie waar vroeger een badmeester achter zal hebben gezeten, liggen keurig opgerolde blauw-witte badlakens die we over de vergane ligstoelen draperen. De barsten in de tegeltjes, afbladderende verf en scheef hangende verwarmingselementen tekenen een decor op waarin Jen en ik onze Hollywood-rol vervolgen, om daarna uit te dampen in het zonnetje buiten. We hebben hier alles eruit gehaald wat er in zit, en hoewel het verleidelijk is om dit recept nog een nachtje te herhalen, leveren we onze passen weer in en gooien met de schemering onze lijntjes los. De beheerder zwaait ons uit en roept ons nog iets toe in de zin van ‘zegt het voort!’. Bij dezen.
Onze tocht gaat verder naar het noordoosten, richting de Bras d’Or Lakes. Enorme binnenmeren die aan de bovenkant en onderkant met zee verbonden zijn. We spenderen onderweg daar naartoe nog een nacht in de mist en harde wind van een overtrekkende depressie bij Yankee Cove, maar varen gauw door zodra de zon weer tevoorschijn komt. We stomen door naar St. Peter, waar de zuidelijke toegang tot de meren met een sluis wordt afgeschermd van de zee. We timen onze aankomst precies nét na 16.00 uur, zodat we de laatste draai missen, en een nachtje gratis kunnen ‘wachten’ op de volgende draaiing morgenochtend. Het is een mooi plekje. Tegenover ons komen de vissersbootjes binnen en achter ons ligt een groot Amerikaans jacht en een klein Canadees zeilscheepje. Met de Amerikanen van de Sila raken we aan de praat. Zij varen bijna twee decennia met dit schip (met een paar pauzes om de kinderen naar school te sturen) en zijn zo’n beetje op alle plekken geweest die je je als zeiler kunt voorstellen. Van Ushuaïa tot Spitsbergen hebben ze zo’n beetje alles wel gehad. Jen en ik wandelen verder op zoek naar een leuke kroeg, maar vinden op een fijne supermarkt na weinig in het niet-zo-bruisende St Peter.
Na bijna elf maanden op zee gaan we onze eerste sluis weer door. De dames die de sluis bedienen komen ’s ochtends aankloppen of we er klaar voor zijn en weten hoe alles in zijn werk gaat. We proberen uit te leggen dat we in Nederland genoeg sluiservaring hebben opgedaan, maar op een zenuwachtig glimlachje na komt er niet veel terug. Het is bladstil, maar er staan wel twee line-handlers op de kade die assisteren met het afmeren. Ik leg Luwte keurig netjes stil langs de kade, zodat de stootkussens de muur kussen en overhandig gedwee de achterlijn terwijl Jen op de kant springt en het lot verstandig in eigen hand houdt.


De passage naar binnen toe is spectaculair, met twee rotswanden aan beide zijden van ons schip. Daarna zeilen we de Bras d’Or binnen en genieten we van het strakke windje en gladde water. We kunnen ons heel goed voorstellen dat je hier een week heerlijk kunt ronddobberen in de zomer, met barbecues en zeiltochtjes voor de sport. Maar we zijn met onze meren in Nederland toch een beetje verwend en hoewel de omgeving prachtig is, voelt het allemaal wat braaf. We ankeren naast een beroemd First Nations eiland. Geboeid door de verhalen die we over de kolonisatie van Canada hebben gelezen en beluisterd op podcasts zijn we benieuwd of we hier iets kunnen leren, maar als we aan wal komen blijkt het een platgeslagen kermisattractie met wat verklede mensen die een toneelstukje afdraaien. We halen de volgende ochtend dan ook ons anker weer op en varen met een tussenstop in een verlaten baai verder naar Baddeck.




Baddeck doet ons denken aan Lunenburg. Sterker nog, tijdens het schrijven van onze walavonturen in het gezellige Lunenburg bleek ik een hoop verhalen uit Baddeck meegenomen te hebben. Ik vond het allemaal al lastig in de tijd te plaatsen, maar toen ik het aan Jen voorlas kwam aan het licht dat mijn geheugen de twee dorpen toch niet zo goed uit elkaar kon houden.
In zekere zin gaan we hier dan ook op dezelfde manier te werk. We vinden een fijn ankerplekje voor de haven, gaan aan wal en doen ons ding: alle winkeltjes induiken voor familie-souvenirs, alle restaurants en barretjes testen op hun kwaliteit en op zoek naar live entertainment.
Mijn hoogte- en tegelijkertijd dieptepunt vind ik bij de sociëteit van de zeilvereniging, die een groot gebouw bestiert op de kade van de haven. Het is een van de oudste zeilverenigingen van Canada en dus besluit ik mij ter plekke als internationaal ambassadeur van zeilvereniging Het Y op te stellen en de band tussen deze oude zusters te smeden. We stappen vol goede moed het gebouw binnen en wandelen naar de sociëteit op de eerste verdieping, waar en goedgevulde ruimte bekleed is met prijzenkasten en ornamenten die enige zeilgeschiedenis uitstralen. Net als bij Het Y is er duidelijk een clubtafel. Hieraan zit een man of vier een drankje te drinken, maar nog voordat we goed en wel ons eigen eerste drankje hebben besteld, zijn de mannen uitgepraat en vertrekken ze. Wij nemen daarop plaats aan de bar en proberen een praatje te maken met de barman. Van ons verhaal lijkt hij niet erg onder de indruk en met een schuin oog probeert hij de ijshockeywedstrijd op de grote TV-schermen achter ons in de gaten te houden. Pas als er pauze is en het reclameblok begint af te draaien keert hij zich met naar ons toe en luistert opnieuw naar wat we te zeggen hebben. Hij blijkt hier zeven dagen per week, 360 dagen per jaar de bar te draaien. Daar moeten vast een hoop zeilverhalen uit voortkomen!
Maar nee. Het wordt al snel duidelijk dat dit gewoon zijn baan is en dat hij eigenlijk niets met zeilen te maken wil hebben. Hij snapt er simpelweg het nut niet van. Wel heeft hij een aluminium visboot waarmee hij graag op het water is. We ontfutselen hem nog een paar leuke dingen om te doen in Baddeck en rekenen dan af, op zoek naar betere aansluiting. En die vinden we. Bij de Baddeck Lobster Suppers.
We hebben inmiddels al honderden, zo niet duizenden kreeftenpotten ontweken op het water, maar hebben daar nog helemaal geen vruchten van kunnen plukken. Daar moet verandering in komen. Als we binnenstappen zit het rammetje vol, maar er gaat net een tafel voor twee naar huis en we mogen plaatsnemen. Het is een grappig gezicht. Het restaurant ziet er een beetje uit als een minimaal opgeleukte sporthal met een grote keuken er aan vast. En iedereen heeft een slabbertje om. Een slabbertje. Met een grote kreeft er op geprint.
De fles bubbels die we bestellen brengt de serveerster een beetje in verlegenheid en achter de bar zijn ze allemaal goed aan het opletten als een van de barmannen laat zien hoe je een fles bubbels opent. Met het schaamrood op haar kaken komt onze serveerster ons vragen of ze wel eerst onze ID mag zien en voor het eerst voel ik me enigszins gevleid door de vraag. Het moge duidelijk zijn, we zijn een beetje een vreemde eend in de bijt met onze nette kleding, fles bubbels en rare taal die ze niet begrijpen. En dan hebben we het nog niet gehad over het feit dat we zijn komen lopen.
We krijgen een reusachtige pan met mosselen, een kreeft en een stuk of twintig bakjes met gesmolten boter. En het is zalig. Hoe we het doen is mij nog altijd een raadsel, maar een klein half uur later is onze tafel veranderd in een slagveld, zijn de mossels op en pulken we de laatste restjes kreeft uit de lange poten. De slabbertjes om onze nek hebben hun functie bewezen en zitten onder de vet- en kreeftvlekken en de fles bubbels staat niet veel later omgekeerd in de koeler. We moeten er even van bijkomen, maar we geven elkaar een high five voor deze prestatie.


Bij het afrekenen pap ik aan met de leidinggevende terwijl ze ons bonnetje opmaakt. Ze neemt alle tijd en ervaart er duidelijk geen enkele druk aan dat er achter ons een rij begint te vormen van mensen die ook uitgegeten zijn. We wisselen complimentjes uit over het eten, onze kleding, Lunenburg en onze reis. Als tenslotte het bonnetje klaar is laat ik ons adviseren over een goede plek om live muziek te bezoeken. Achter ons staat een jongeman van mijn leeftijd die zegt dat hij verderop te vinden is vanavond. Dat klinkt goed. We schrijven de naam van de bar op en starten onze wandeling.
De “bar” blijkt in feite de lobby te zijn van een groot golf hotel-resort. Op een kruk zit een oude kerel met een gitaar de nog veel oudere gasten te vermaken met oude hitjes. Hier en daar knikkebolt iemand weg en tussen de nummers wordt er braaf geapplaudisseerd. Een deel van de zaal lijkt helemaal niet blij te zijn met het optreden en kijkt naar de finale van een belangrijke ijshockey finale die op het scherm boven de gitarist wordt uitgezonden. Heel even twijfelen we of dit wel moeten willen, maar we klimmen toch maar even op een barkruk en bestellen een gin-tonic. Niet veel later zit de jongeman van het kreeftenrestaurant inderdaad met zijn date aan een tafeltje. Misschien hadden we iets te hoge verwachtingen van “live muziek in Baddeck”. Als er een korte pauze wordt ingelast pakken we onze kans en rekenen af. Het is laat en tijd om terug naar Luwte te gaan.
Jen doet een paar dagen later nog een poging. We zijn inmiddels alweer bekende gezichten voor de meeste winkeliers in het dorp en het schijnt dat er tweewekelijks een fiddle-optreden is in een van de communitybuildings. Ik heb weinig met met fiddling. Het woord alleen al geeft me fiddles, maar Jen is enthousiast en we zijn op zoek naar vertier.
Vol goede moed lopen we naar het gebouw toe, maar als we binnen willen worden we door de portier gevraagd naar onze reservering. We proberen nog te sjoemelen met het verhaal dat we morgen uitvaren en hier nooit meer terugkomen en best willen staan, maar de tent is vol. Terwijl we daar staan werpen we een blik naar binnen en concluderen we dat een hogere macht ons waarschijnlijk beschermt tegen een teleurstelling en dus zakken wij af naar het café op de haven, waar we spontaan een partneroverleg openen met oesters en glazen speciaalbier. We kijken terug op Nova Scotia en kunnen alleen maar concluderen dat we een zwak hebben gekregen voor de Canadezen, de Canadese vaarwateren en het leven dat de mensen hier leiden. Vóór ons ligt avontuur en ruige kusten en ook daar kijken we naar uit. Morgen gaan we de “Big Bras d’Or” door naar buiten. Een spleet in de rotsen waardoor het meer uitmond in zee en waar het tot wel zeven knopen kan stromen. We bestellen nog wat versnaperingen en laten onze glazen nog eens vullen. Dat is de dag van morgen, en vandaag is maar vandaag. We hebben het goed met z’n twee en daar genieten we maar van.








Lieve Jen en Rorik,
Al weer een kaart van jullie. Nu van de Azoren, terwijl ik van jullie avonturen in Canada gelezen heb. Wat is daar veel te beleven en hoe hebben jullie daar met volle teugen van genoten. Het zal wel even omschakelen worden als jullie vanuit de Azoren de laatste etappe hebben afgelegd. Maar ja dan volgt er een uitdaging. Succes en veel liefs.
Opa en oma.
Wat een heerlijk verhaal weer, met superleuke foto’s; ik heb weer genoten! XXX
Leave a Reply